Maximale koolstofvastlegging

Effectiviteit
Vogelakkers worden vaak ingericht met een meerjarig groenvoedergewas (op zandgrond vaak rode klaver en luzerne op kleigrond), afgewisseld met natuurbraakstroken die niet worden geoogst. Door de combinatie van een rustgewas en natuurbraak blijven meer gewasresten achter op het land, die een bijdrage leveren aan het bodemkoolstofgehalte.

Methode RothC-model
Voor de modellering van vogelakkers zijn we uitgegaan van percelen met luzerne, aangezien rode klaver geen apart gewas is in de BasisRegistratie Percelen (BRP). De koolstofaanvoer voor vogelakkers is gelijk gesteld aan de C-aanvoer voor gewasresten van luzerne (1,8 ton C/ha/jaar) plus een extra C-aanvoer vanuit de stroken met natuurbraak, die niet geoogst wordt, waardoor meer biomassa voor de bodem overblijft. Hiervoor is aangenomen dat die natuurbraak 30% van het perceel beslaat en tot een extra C-aanvoer leidt van 1 ton C/ha/jaar. In het model is voor deze maatregel aangenomen dat 2% van het areaal intensieve akkerbouwgewassen (aardappelen, suikerbieten, bloembollen en uien) vervangen wordt door vogelakkers.

  • Lesschen, J. P., Hendriks, C., Slier, T., Porre, R., Velthof, G., & Rietra, R. (2021). De potentie voor koolstofvastlegging in de Nederlandse landbouw. (Rapport / Wageningen Environmental Research; No. 3130). Wageningen Environmental Research. https://doi.org/10.18174/557330